vanavond kook ik weer voor twee

Mijn eigen moeder zei me eens: de kinderen die je krijgt, zijn niet je kinderen; het zijn kinderen van de wereld. Ze refereerde in haar eigen woorden aan de beroemde tekst van schrijver Kahlil Gibran. Nu ik kinderen in mijn leven heb of heb gehad, brengt die alinea uit het gedicht vragen bij me naar boven. Hoe vaak zeggen we niet dat we kinderen hébben. Of één kind. Of dat iemand geen kinderen heeft. Of het kind dat iemand verloren heeft. Er is een dichotomie van het hebben van kinderen of het niet hebben. Het willen of wensen, of niet. In de dagdagelijkse taal, in gesprekken met vrienden, op enquêtes die je invult voor een marketingonderzoek. Maar kinderen zijn soms maar een bepaalde periode bij jou als volwassene. Of blijf je soms hoopvol op een kind wachten. Welke rol heb je dan als ouder?

“Was het een goeie ochtend, papa?” vraagt mijn jongste dochter vanop de achterbank. Ze weet dat ik stress heb als ze treuzelen bij het aankleden en het ontbijt, waardoor er een kans bestaat dat ik ze te laat aan de schoolpoort afzet.

“Het was een heel goede ochtend,” bevestig ik haar met een complimenteuze, vrolijke toon in mijn stem. Ondanks ik hen met veel moeite uit bed kreeg, lukte het me om hen ruim op tijd op de speelplaats van de lagere school af te zetten. De jongste geeft me een wurgknuffel voor ze de speelplaats op huppelt. De oudste geeft me een vlugge knuffel en slentert haar zus en vele andere kinderen achterna. Daarna zet ik de wisseltas met fietshelmen, chirokledij en dansschoenen af bij hun moeder. Normaal gezien start daarna de werkdag en overvalt het verdriet me dat bij de leegte hoort, doorgaans ’s avonds bij het koken voor twee in plaats van voor vier. Mijn lief en ik proberen dan iets leuks te doen dat de aanwezigheid van het verdriet verdooft. Ik neem al vijf jaar wekelijks afscheid van mijn kinderen en je denkt dat je ermee kan leven, tot er iets banaals gebeurt, zoals het vinden van verloren sokken. Dan mis ik ze ineens heel hard, hoewel ik ze diezelfde ochtend nog zag.

Compulsief kijk ik vaker dan ik zou willen naar de sociale media-accounts van de ‘wat ben ik toch een bewust-van-mijn-emoties’-gescheiden ouder. Ze springen naar boven in mijn algoritme en ik lees hoe ze hun proces verwerken door op te scheppen hoe ze in hun kindvrije week aan zelfontwikkeling doen om daarna weer honderd procent aandacht aan hun kinderen te bieden. Een gepost bericht ter validatie van zichzelf, of om zichzelf te troosten? Ondanks mijn weerstand lees ik de berichten en de commentaren, omdat deze personen in een voor mij herkenbare situatie zitten. Ergens hoop ik dat er tussen die volgers ook iemand zit die afziet na ‘de wissel’.

Een andere compulsieve gedachte is dat ik, wanneer ze bij mij zijn, hun dan alle aandacht moet geven. Ik leerde mijn leven in twee delen op te splitsen: de weken waarin ze bij mij zijn en de weken zonder hen. De weken zonder hen hebben nog geen zinvolle invulling.

Ik sta als gescheiden vader niet alleen. Er gaan zoveel koppels met kinderen uit elkaar, of ze daarvoor nu getrouwd waren of niet. Een vriend probeerde me enigszins te troosten met de boodschap dat kinderen zonder gescheiden ouders tegenwoordig de uitzondering waren. In mijn eigen netwerk ben ik wel de uitzondering, waardoor mijn verdriet over het gemis geen kans krijgt om gezien te worden.

Dit verdriet is een terugkerend proces dat op de een of andere manier draaglijk is omdat het een week later wordt goedgemaakt met het eerste-avondfeestje. Het is een kleine party aan het begin van de week waar we kort vieren dat we elkaar weer zien. Met chips uiteraard. En als de week dan om is, vouw ik al die gevoelens van verdriet samen tot een denkbeeldig pakket dat ik in mijn rugzak steek. Heel veilig opgeborgen. Want bij het uitspreken ervan zou hypothetisch iemand mij kunnen komen vertellen dat het er nu eenmaal bij hoort. Of nog erger, dat ik dit verdriet niet zou hebben als ik maar wat harder aan mijn huwelijk had gewerkt.

Wat weinig mensen weten, is dat ik in mijn rugzak nog twee andere opgevouwen pakketten stil met me meedraag. Beide gevuld met verdriet om een kind. Een licht pakket maar niettemin aanwezig en een zwaar pakket. Ik kwam tot de vaststelling dat deze vormen van verdriet in onze samenleving onzichtbaar zijn en in mijn ogen zelfs worden gemarginaliseerd. Ik tracht met dit essay niet alleen het eerste, maar ook de andere twee te valideren.

Ik had het voorrecht om een jaar lang voor een derde kind te mogen zorgen. Een vrouw op wie ik verliefd was geworden, heeft een dochter die toen vijf jaar oud was. Ik mocht al snel kennismaken met haar kind en hoe meer tijd ik met haar doorbracht, hoe meer ook wij een band kregen. Tijdens de periode dat ze bij ons was, bracht ik haar, net zoals ik bij mijn eigen kinderen doe, naar school, smeerde ik boterhammen en vertelde ik verzonnen verhaaltjes voor het slapengaan. Die relatie eindigde zonder dat ik afscheid kon nemen van haar.

Tijdens die relatie voelde ik dat ik een rol in haar leven had, wanneer bijvoorbeeld haar mama me vertelde dat ze meteen naar me vroeg als ze terugkwam van school en ik er niet was. En als ik haar niet zag tijdens de periodes waarin ik voor mijn eigen kinderen zorgde, kreeg ik ook foto’s van haar doorgestuurd, waardoor ik betrokken bleef. Een mooie herinnering aan die verbondenheid was toen bleek dat ik voldoende aanvaard was om te mogen deelnemen aan haar zesde verjaardagsfeest. Een klassiek feest met cadeautjes en taart en een minder klassiek beeld van vier ietwat onwennige volwassenen: de twee gescheiden ouders van het kind, met hun partners erbij. Maar de meeste verbinding zat in de kleine momenten. Wanneer ze mij ’s avonds vroeg om nog één sprookje te vertellen omdat ze anders niet kon slapen, of hoe ik haar ’s ochtends, voor ze naar school trok, nog hielp om knopen uit haar haar te kammen.

In de praatgroep ‘vergeten vaders’ komen mannen samen die een vaderrol verloren hebben. Bij deze praatgroep had ik me graag aangesloten, maar op het moment dat ik de emoties het sterkst ervaarde, was deze praatgroep voor mij nog onbekend. De verstreken tijd zorgde er trouwens voor dat mijn tweede pakketje opgevouwen verdriet kleiner en kleiner werd. Wat hielp, was het leren toelaten van mijn eigen verdriet en emoties. Wanneer Google Images me herinnert aan toffe momenten samen over die periode, dan laat ik mezelf toe het tweede pakket even te openen.

Het derde pakket dat opgevouwen zit, is het moeilijkste om open te maken. Het is een pakket dat ik samen deel met mijn vriendin. Al delen we het samen, we dragen het op onze eigen manier met ons mee.

Nog in de datingfase wist ik dat mijn partner heel graag een kind wou. Ik vertelde haar dat ik graag opnieuw een gezin wou. Het klikte goed tussen haar en mijn kinderen en het klikte heel goed tussen ons. Nuchter genoeg over de mogelijke impact van de uitgevoerde hersteloperatie na een eerdere sterilisatie bij mij en over haar leeftijd, bezochten we een fertiliteitsarts. Aan de hand van onderzoeken en grafieken werd ons uitgelegd dat er geen aanwijzingen waren om geen traject te starten, maar dat we ons er ook van bewust moesten zijn dat de kans op een zwangerschap bij ons veel lager lag dan bij jonge koppels.

‘Ik word mama,’ zei mijn vriendin. ‘Ik houd ook die grafieken in mijn achterhoofd,’ antwoordde ik. Te veel vanuit mijn rationele denken vergat ik haar eerst te bevestigen. En op slag werd duidelijk hoe anders we naar de situatie keken, en hoe die andere blik werd veroorzaakt door het medisch ingrijpen. Een denkproces waartoe we zonder dit ingrijpen niet verplicht zouden zijn.

In het traject diende ik mijn vriendin de nodige inspuitingen toe en gaf ik, voor zover mijn medische kennis het toeliet, bijkomende uitleg na elke consultatie bij de gynaecoloog. Bij de eerste poging kregen we al goed nieuws. In het laboratorium waren enkele eicellen bevrucht. Maar enkele dagen later volgde de klap: een innesteling had niet plaatsgevonden. We waren nog niet goed en wel bekomen van de emotionele rollercoaster toen de arts bij het opvolggesprek vertelde dat de hormooninspuitingen in de tweede ronde verhoogd zouden worden. Wat ons weer hoop gaf, kreeg jammer genoeg geen resultaat.

Via via kwamen we bij een andere fertiliteitsarts. “De vraag is niet of u een kind krijgt, mevrouw, maar wanneer.” De arts was een expert in zijn vakgebied en zijn enthousiasme gaf ons weer hoop. De zwangerschapstest na ronde vier was weer negatief, en mijn vriendin en ik stonden tegenover elkaar. Een jaar lang zaten er al hormonen in haar lijf en waren we als koppel op een onduidelijk pad beland zonder kompas. De richting werd alle kanten opgestuurd door doorzettingsvermogen, verdriet, boosheid en hoop.

“Wat ga je doen als het niet lukt?” vroeg een vriend me bezorgd. Het was een vraag die we ons als koppel niet stelden. Positief blijven was ons mantra. We gingen er samen voor en besloten naar het beste fertiliteitscentrum van het land te gaan. Na de zesde poging zei de arts dat een volgende poging niet meer werd terugbetaald omdat de kans op een zwangerschap zo klein was. We kregen het visitekaartje van de psycholoog van het centrum mee.

Van het gesprek bij de psycholoog herinner ik me niet veel. Enkel dat zij het een goed idee vond dat ik mijn vriendin troostte door elke ochtend een kop koffie te maken. Ik ondersteunde mijn vriendin zo goed als ik kon, maar vond onvoldoende woorden om er te zijn. Hoe kan je iemand ondersteunen als niet alleen de droom, maar de essentie van haar leven verdwijnt? Hoe doe je dat als een vader die al twee kinderen heeft?

Soms denk ik dat een koppel zonder kinderen en een onvervulde kinderwens beter op elkaar kan steunen omdat ze samen door een rouwproces gaan, ik weet het niet. In onze situatie was het zoeken en cijferde ik mezelf weg vanuit het idee dat haar verdriet onbeschrijflijk veel groter is dan het mijne. Mijn eigen kinderen, het werk en mijn lief vroegen mijn aandacht. Aandacht voor mijn eigen rouwproces schoof verder en verder naar de achtergrond. Hoe moet je eigenlijk aandacht geven aan een niet-erkend verdriet? Want ik had toch al kinderen, zei ik tegen mezelf.

“Maar je hebt twee lieve meisjes om voor te zorgen,” kreeg mijn partner ook te horen. Ze werd boos van de goedbedoelde woorden en woedend als iemand die wel kinderen had zei dat je nu eenmaal niet alles kan krijgen wat je wil. Zesmaal pompten we onszelf volle moed om een nieuw traject te starten en evenveel keer kregen we een koude douche. Maar van teveel koude douches dreigt een relatie onderkoelt te geraken. Bij drie verschillende therapeuten gingen we langs maar uiteindelijk moesten we er zelf doorheen zien te geraken. En stap voor stap evolueerde het constante verdriet naar een gefragmenteerd verdriet, toen we elkaar elk onze eigen weg hierin lieten zoeken. Zij op haar manier, ik op die van mij. Ik kon mijn verwerking pas een jaar na de laatste poging starten. Het gebeurde toen iemand uit de vriendenploeg tijdens een herfstwandeling in de Ardennen aan me vroeg: “Hoe gaat het eigenlijk met jou?”

Wat ik al lang probeerde onder woorden te brengen, kreeg door die ene vraag betekenis. Mijn verdriet mocht er zijn. Voor het kind dat ik graag nog had gekregen, voor het gezin dat ik met mijn lief had willen stichten en voor de onmacht in het hele proces. Ik moest mijn eigen verdriet laten zien om het te laten bestaan. Niet alleen aan mijn partner, maar ook aan anderen.

Zo draag ik de drie pakketten in mijn rugzak mee. En als ik aanvoel dat mensen kunnen luisteren zonder meteen een oplossing te willen bieden, vouw ik een pakket open om het even te delen.

In ons huis staat een kaars die symbool staat voor ons kindje dat er nooit kwam, voor herinneringen aan het traject, voor alles waar we geen woorden voor vinden. We steken de kaars samen aan of apart om zonder woorden aan te geven waar we aan denken. De kaars verhuist wel eens van plaats. Maar meestal brandt ze aan tafel als ik gekookt heb voor twee.

© Daan Duppen, 2026.
Citeren mag met bronvermelding. Voor volledige overname graag vooraf contact opnemen.